Ik stap de woonkamer binnen en het voelt alsof de tijd hier even heeft stilgestaan. Alsof er elk moment een feestje kan beginnen, alsof iemand zo de muziek aanzet en er gelachen zal worden zoals vroeger.
Op tafel staan de sigaretten nog altijd in een wijnglas, precies zoals ze ooit neergezet werden een klein, vertrouwd ritueel dat hoorde bij de tijd. Die tijd. Op het dressoir staan plastic rode rozen in een kristallen vaas, met een dun laagje stof dat zachtjes verraadt hoe lang alles al onaangeroerd is gebleven. Door de kamer heen staan foto’s verspreid: kleinkinderen als baby’s, vastgelegd in momenten van toen. Inmiddels zijn ze groot, maar hier blijven ze voor altijd klein.
De zoon zit tussen al die herinneringen. Het is moeilijk voor hem om het overlijden te aanvaarden. Het ging zo snel, zo onverwacht alsof er geen tijd was om afscheid te nemen, om zich voor te bereiden op een wereld zonder haar. Hij is er nog niet klaar voor.
Voorzichtig haalt hij herinneringen op,, vertelt over zijn jeugd, over de jaren zeventig. In de aond op de bank, samen televisie kijken, Van Kooten en De Bie op het scherm, een schaaltje chips binnen handbereik. En altijd die rode roze elke zaterdag vers van de markt, hun geur die zich door het huis verspreidde en ongemerkt onderdeel werd van thuis.
Zijn woorden zijn zacht, maar vol liefde. In alles wat hij vertelt, leeft zij voort. Voor de uitvaart heeft hij nog geen duidelijk beeld. De vorm, de invulling hij is nog zoekende.
Maar één ding weet hij zeker, zonder twijfel. Zijn moeder wordt geëerd met rode rozen.