Ogen zonder levenslust

De straten kleuren oranje, het is bijna Koningsdag.
Op deze dag twee jaar geleden wist ik je bent er niet meer, een paar dagen ervoor had ik je nog gebeld, je voicemail ingesproken. Mijn gevoel zei dat het niet goed was. Zo halverwege maart zet jij je fiets tegen de gevel van de uitvaartwinkel, door de ruit zie ik een boom van een vent met een spijkerbroek en alleen een wit T-shirt aan. Koud, denk ik zo zonder jas. Het voorjaar moet nog beginnen.
Je glimlacht naar me en stapt de winkel binnen, je wilt wat informatie over uitvaartmogelijkheden.
We raken in gesprek en je geeft aan dat je niet meer zo lang hebt. Jouw uitvaart begrijp ik, je handen trillen opvallend bij het roeren in je koffie en bij iedere blik observeer je me zorgvuldig.
Tussen de regels door begrijp ik dat zelf de regie hebben heel belangrijk voor je is en dat je het hebt over zelfdoding.
Zelfdoding. Ik probeer niet te schrikken maar ik merk aan je dat mijn korte schrikmoment je niet is ontgaan. Er schiet van alles door mijn hoofd, een voorbespreking voor een zelfgekozen einde van een leven. In het gesprek benoem je de dingen zoals ze zijn.
Een heftig leven, je mag je kinderen al langer niet meer zien. Jouw koppigheid en onbegrip van mensen. Over afstand en eenzaamheid. De foute keuzes en heftige conversaties. Over je psychische levensloop, een stukgelopen leven. Ik luister.
Uit je rugzak haal je papieren van de notaris en je aangekochte natuurgraf.
Een gat in het bos ergens in het midden van Nederland meer niet. Geen herkenningspunt of boomschijf met je naam, geen coördinaten voor je nabestaanden. Niks.
Dit heb je allemaal al geregeld en een setje kopieën voor mij. Serieus dus.
Toch vraag ik (tevergeefs) of je hulp nodig hebt. Ik kijk in je grote vriendelijke maar lege blauwe ogen. Ik kijk in ogen zonder levenslust.
Je bedankt hiervoor en je geeft aan dat geen zin heeft omdat je dan weer in behandeling x komt. Uitzichtloos zeg je, en je bent zeker van je zaak dat is duidelijk. Het is een bijzonder gesprek, een voorbespreking over een uitvaart met zelfdoding. Als uitvaartverzorger maak je dit niet vaak mee. Ik luister en schrijf. En ondertussen speelt er van alles door mijn hoofd. Hoe jij in het leven staat en dit wil beëindigen op welke manier dan ook mag en kan ik geen mening over hebben, de grilligheid van het leven.
Je geeft aan dat dit gesprek je zo oplucht. Alleen ik mag je begeleiden als het zo ver is. Je betaalt een groot gedeelte vooruit, een flink bedrag.
De rest via de notaris. Twee dagen voor Koningsdag spreken we nog één keer af om je zelfgekozen wade van spijkerstof te bekijken. Stoer en ruw is de keuze van het materiaal.
Ik beleef dus die Koningsdag op een andere manier dan anders.
Je belde me niet terug, je was niet op onze vervolgafspraak, je wade ligt in de kast. Ongeopend. Ondanks de festiviteiten op deze dag laten de gedachte aan jou me niet los. Het zal toch niet, speelt er door mijn hoofd. De eerste dagen van mei gaan voorbij en ik heb nog niks van je gehoord.
Je hebt geen contact meer met je familie en ze mochten niet geïnformeerd worden. Absoluut niet.
En dan gaat midden in de nacht mijn telefoon. De politie.
De man vraagt aan mij of ik denk te weten waarvoor hij belt. Twijfelend zeg ik dat ik het wel denk maar niet hoop, ik spreek het uit en hij bevestigt.
Je bent gevonden.
Een briefje op de tafel met mijn naam, telefoonnummer en de tekst en dat ze mij moeten bellen bleef achter. Geen brief aan je kinderen of je familie. Niks.
Na alle beslommeringen met Justitie mag ik je zien, de bevestiging of je hét echt bent is nodig voor mijzelf. Het silhouet van het laken verraad je grote postuur, een boom van een vent en ik hoop zó dat je het niet bent.
Nu ik je zie flitst even het beeld door mij heen de man die zijn fiets tegen de gevel zette. Je bent het echt.
Jouw ogen zonder levenslust zijn voorgoed gesloten.
Ik pak je stoere, ruwe wade uit de kast en weet dat dit jou keuze was.